Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELDICHTEN. aj

Alfchoon een Gierigaart Steeds fchat op fchatten gaart, Zijn Gouddorst kan hem nooit verzaaden; Zij, die in d'afgrond voortgeteeld, Slechts door 't gezicht de zinnen ftreelt, De ziel bedervt, en 't hart kan fchaaden, Heeft op een' Deugden vriend geen magt, Daar Hij al 't aardfche als nietig acht.

De Laster, 't fnoodfte kwaad, Die niets in vrede laat, Maar God en Godsdienst durvt beftrijden, En op de Deugd haar pijlen fchiet, Vindt in zijn hart haar' fchutsheer niet: Hij weet Kwaadfpreekenheid te mijden; Verfoeit de Lof en Vleiëri j, Eu is van Wan- en Af-gunst vrij.

B 5 Nooit

Sluiten