Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPRAAKKONST. 34*

S.

Sabel. m. en v, I Een lange en kromme houwer. De Sol-

I daat trok zijn Sabel. Sabel. m. Een Moskovisch Dier, daar het bont, ge¬

meenlijk fabelbont genaamd, van komt. Sak. v. Een bekend bovenkleed der Jufferen.

Zak. m. Daar men iets in bergen kan.

Zak. m. Affcheid, ontflag. Zijnen knegt de zak gee<

ven.

Schaaken. Op het Schaakbord fpeelert.

Schaaken. Rooven, wegvoeren. Eene Vrijjïer fchaa» .

ken.

Schaaken. Een's Schippers woord. Een touw fchaakeo

of bot geeven.

Schaal, v. Een drinkkop. Hij dronk uit eene fchaal*.

Schaal. v. Weegfchaal. Weegt dat eens op de fchaal'.

Schaal, v. Dop, eiërfchaal.

Schaal v. Eerste deel van een balk, daar de buiten-

korst van den boom aan is.

Schaar, v. Tweelédig fnijtuig, bij de Jnfferfchap bekend.

Schaar, v. Nijper van een krab, van een kreeft.

Schaar, v. Kerf in een Mes. —- Dat mes is vol fchaa-

ren.

Schaar, v. Eene menigte volks. Het getal der aan-

fcbouwers was eene beele fchaar.

Schaffen. Aanrigten, opdisfen. Wat zullen zctj

fchaffen ?

Schaffen. Eeten. Jk beb bonger, geeft mij wat te

fchaffen.

Schakel, v. Een Net, 't welk-men over een kleine Riviere fpant.

Schakel, m. en v. Schalm van eenen ketting.

Scheelen. v. Aangezet hoofdhaar der Vrouwen. Scheelen. Is bij de Slagers bekend, want die zeggen:

darmen fcheelen. Scheelen. Verfchillen. Dat kan mij niet fcheelen.

Scheelen. Schorten, onpasfelijk zijn. Dat Kind moet

iets fcheelen.

Scheen. Komt van fcbijnen. De Zon fcheen. »

Hij fcheen mij te kennen.

Scheen*

Sabel. m. en v. Sabel. m.

Sluiten