Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<8K 23

: Eén ftuiptrek! nog één gil! de ziel is 't lijk onttoogen!

Zij leeft nogthans! dan welkeen ftand,

Waar haar 't onfterflijk hart van zelfvervloeking brandt!

Bellis hier zelfs, wie 't ongelukkigst zij: Een mensch, dat zinloos is, of hij, Die aan zijn tochten dus den ruimen toom durft vieren, Ontembaar en als woeste dieren? Daar de eerste, buiten eigen fchuld J De hoogde liefde vloekt ea in zijn ketens brult: 1 Vloekt de andre God, in weêrwil van 't geweeten, I Door 't misdrijf, dat een' gloed ontfteekt, 1 Die, wat de boosheid zich op Aarde durft vermeeten, Eens in den Jammerpoel den hoon der Godheid wreekt. . . .

Volzalige onfchuld, die de gulste lachjes fpreidt, Wanneer geen driften 't hart nog hebben aangegrepen : I Geen hartstochtdormen na zich fleepen! f Wat is, lief vrolijk wichtje! uw daat nog zaligheid! Gij ligt, van zorgen vrij, op Moeders fchoot te fpeelen, Slaat de armpjes zacht en malsch, [ Om haaien blanken hals:

Ja doet haar heele ziel in uw gelukdaat deelen!

' Dan, pas kent ge u als mensch: of, de onfchuld is uw hart,

Door ftorm op ftorm, onttoogen;

B4 Gij

Sluiten