Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GOOILAND. 50?

dinxland heeft gefchonken, aan het Klooster te Elten, geheöten Eltenburg, en geleegen tusfchen Emmerik eil Arnhem, orider die voorwaarde, dat zijne dogter lutgard Abtdïsfe vatl dit Klooster zou zijn. Deeze gift is in den Jaare 97a door Keizer otto den I bevestigd (*). Hier tegen kantte zig baLdriK de III, Graaf van Kleef, die aan adelheid , eene andere dogter van wicman, getrouwd Was. Hij gaf voor, dat zijn fchoonvader geene magt gehad had, om deeze goederen weg te fchenken. Dit gefchil duurde tot onder de Regeering van Keizer otto dén III, die na den dood van lutgard te weeg bragt, dat edelheid en haar man al hun regt aan hem opdroegen, na 't Welk de Keizer voogd en befchermer van 't Klooster werd, en alle de betwiste goederen aan het zelve overgaf. Uit welk een regt Graaf otto van Gelder, de (treek van Gooiland aari den Bisfchop van Munjler, tot een losloon uit zijne gevangenisfe, in den Jaare 1255, heeft kannen overgeeven, om ze als een erflijk Leen van den Bisfchop te verheffen, konnen wij niet befef. fen. Zeker is het, dat het Klooster te Elten, dit Land, naderhand in zodanigen eigendom bezeeten heeft, dat derzelver Abtdisfen, met toeftemming der andere Kloosterzusters, niet alleen In ftaat geweest zijn om het te vervreemden; maar ook Leenen te verheffen, die 'er onder behoorden. De Abtdisfe goedela, of godeleva, of godelinda, welke laatfte naam meest in de bekende brieven gebruikt word, heeft, gelijk wij ten deele gemeld hebben, Nardinxland, in den Jaare 1280, afgeftaan, en opgedraagen aan Graaf floris den V, voor eene rente van vijfentwintig ponden, wettig Utrechts geld, Jaarlijks ten eeuwigen dage op St. Maartensdag te betaalen, aan de Abtdisfen

in

O Boxhornius in zijn Theatr. Holl. p. 333, fchrtjft dee. at bevestiginge toe aan Keizer otto Den II, op het Jaar 968 , waar in hij met pontanus maar twee Jaaren ver* fchilt, die dezelve fielt in den Jatire 970.

Sluiten