is toegevoegd aan uw favorieten.

Vaderlandsch woordenboek; oorspronklyk verzameld door Jacobus Kok. Eenentwintigste deel. H-K.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOORNE. (PHILIPS v. MONTMORENCI, Graaf v.) 73

kennen. De Graaf yan hoorne , zo wel als de anderen , klaagde hier over openlijk; zij zeiden dat het nooit 's Koning* ineening was geweest, den klem der Regceringe te laaten in handen eens vreemdelings, met uitfluiting der vooniaainlte Edelen en Heeren; welke, daarenboven, volgens billijkheiden de oude Landgewoonten, geregtigd waren tot het belbiur van den Staat en der Geldmiddelen. Met deeze klagten gingen gepaard hunne poogingen om eenen Aanhang te winnen. Niet ongelukkig daagden zij hier in. Veelen vielen hun toe, hoewel anderen ftaande hielden, dat hoorne en de twee anderen het niet flegts. op den Kardinaal hadden gelaaden, maar ook verandering in de Regeering zogten.

De Graaf van hoorne en zijne medeflanders ontvingen, eerlang, antwoord van den Koning van Spanje. Zijne Majefteic prees in denzelven hunnen ijver voor zijnen dienst, doch verzogt, met één, om de overkomst van eenen hunner na Spanje, ten einde om de algemcene befchuldigingen, tegen den Kardinaal, in den Brief vervat, bij monde nader te ontvouwen. In weerwil van 'sKonings betuiginge, befchouwden de Heeren dit fchrijven als een blijk van wantrouwen: en beflooten, diensvolgens , zo als zij der Landvoogdesfe, met ronde woorden, aanzeiden , ,, zo lang de Koning geene andere orde ftelde op de „ Regeering, te blijven uit den Raad van Staate, en de fcha„ duw, welke zij aldaar, nu vier jaaren lang vertoond hadden,

te doen verdwijnen," Zij hielden hun woord, en gaven 'er den Koning kennis van, in eenen Brief, in welken zij verklaarden , niet van meeninge te zijn om eenen pleit tegen den Kardinaal te willen aanvangen, maar alleenlijk, als getrouwe Va sfaalen, den Koning kennis te hebben willen gecven van den toeftand der zaaken; waar omtrent zij, fchreeven ze, zich verbeeldden , uit hoofde van hun aanzien, geloof te verdienen. Van de Spaanfche reize verontfchuldigden zij zich, vermids de ftaat der zaaken en de dienst zijner Majefteit dezelve niet gehengde.

Intusfchen verzuimden de Graaf van hoorne en de twee andere Heeren niet, hunnen Aanhang te vergrooten. Nevens den Graaf van hoogstraten, den Heer van brederode en andere Grooten, begaf zich onder denzelven de broeder vau onzen.

E 5 Graa-