Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 20 )

te hebben,ten minfteneenpraefercntefcheepenen. lends; zij weeten wel, dat het fp—d zegt, men moet geen hond een ftuk brood geeven zoo lang hij kwispelftaart; doch deze redenaatfie heeft op hun lieden geen vat. Die Heertjes zijn dierhalven aanftonds van zeslen klaar; zoo ras zij de klok hooren luiden,weeten zij waar 't kapelletje ftaat; zij zijn er bi] als de kippen,fomtijdseerdedroeszijnefchoenen aan heeft, eer 'er bijna een Christen ziel van weet, zoo ras de voeten maar koud zijn , zijn zij reeds op de lappen, en zoo bang als de dood dat een ander het gras voor hunne voeten zal afmaaijen, zitten zij als grijpvogels op dewagt, en maaken dan haantje de voorfte te zijn, dewijl onbefchaamde menfchen hebben het derde deel van de waereld; zij roepen, begrijpende dat de koeijen niet gefchud worden vandekars* fcboomen,onder het maaken van de levendigfte bokkenfprongen: „ 61 die geeft wat hij heeft, „ is waardig dat hij leeft, de dood van den een is het brood van den ander; Aap, wat hebt * gij fchoone jongen!" doch zij meenen 'er geen een van, want om de wille van de fmeer likt de kat de kandelaar. Hier van daan blaast dit volkje heet en koud uit eenen mond, en met een Scherp gezicht gezien hebbende, waar het fcheepje heenen zeild, hangen zij den huik naar den wind, en huilen met de wolven,waarmede zij in 't bosch zijn, maar, alweêr een r.' K{«^«»>, houden altoos een agterdeur open.

Men

Sluiten