Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zweefde, op vleugelen gedragen, Van Hem, die Israël, gelijk een arend, droeg; Zijn weg was mijn vermaak; zijn wil mijn welbehagen; En 't overftelpt gemoed mogt eens augftvallig klagen, Hij, die me uit liefde doeg, Was mij alleen genoeg.

'k Bleef Marend op zijn redding wagten; Zijn hart was mij bekend, ik had zijn heil aanfchouwd. Geen David, Azaph, Job Hortte ooit vergeeffche klagten. Wie armen ook veragt, God zal hen nooit veragten.

Hij, die op God betrouwt, Heeft op een rots gebouwd.

Gelijk de zon, pas opgerezen, Wanneer zij vrolijk fchijnt in 't vrugtbaar jaargetij, De maaiers zingen doet, terwijl zij airen lezen; Zo kan Gods aanfehijn ook de blijde morgen wezen In deze woeftenij; Zo is het thans voor mij!

De

Sluiten