is toegevoegd aan uw favorieten.

Vaderlandsch woordenboek; oorspronklyk verzameld door Jacobus Kok. Dertigste deel. V-W.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UITENBOGAARD. (JOHANNES) Sp

„ lasterlijke fchriften uit te geven tot merkelijke blseme, niej: ,, alleen van veele voottrfcffeiyke Leeraeren der Kerken, „ maer ook tot lasteringe van de waere Religie felve ftrek,, kende: overwegende daerenboven , dat hy trouwlooslyk „ fyne Kerke beeft veriaeten, onder dekfel dat hem aéte „ van abfemie voor een tydt lang van fyn Kerkenraedt foude „ vergunt wcfen, en als nog fugi:yf is, heeft de Synode „ den gemelden uitenbogaerdt gedeporteert, gelyk fy hem „ deporteert by defen van alle Kerkelyke dienften, tot dat „ hy de Synode, of haeren Gedeputeerden fal hehben gedaen „ volkomen contement of fatisfaftie: gelyk hy ook fich foo „ lange fel onthouden van den heiligen Avondtmaele." Zo ras uitenbogaard van dit Vonnis kennis hadt gekreegen, ftelde hij daar tegen eene breede Verantwoording; gelijk ook eene Verdëediging van zijn gedrag , briefswijze aan Prinfe maurits ingerigr. Doch hij vondt daar bij geene baate, even min als bij een Vertoog, omtrent dien zelfden tijd, even als de gemelde Schriften, uit Antwerpen den Algemeene Staaten toegezonden.

Terwijl uitenbogaard zich te Antwerpen onthieldt, verloor hij de zaak zijner broederen Remonftranten, die voor het DorJrechtfche Sijnode gedagvaard, en met hetzelve in onderhandeling waren, niet uit het oog. Van tijd tot tijd zondt hij brieven aan dezelve, deels om hen tot ftandvastigheid en kloekmoedigheid aan te fpooren , deels om hun van goeden raad te dienen. In 't bijzonder liet hij een uitvoerigen brief afgaan, ter gelegenheid van den eisch aan de gedaagde Remonflrantfche Predikanten , omtrent het teekenen van eene Atte van Stilftand, als eene voorwaarde om in het Land te mogen blijven. Met veel ernst zogt hij hen daar in van het aangaan van zulk eene verbintenisfe te rug te houden. Omtrent den eisch zeiven: „ Wy verwonderen ons meest", dus fchreef hij, onder andere, „ hoe de Heeren uwe E. E. „ foo fchandelyke propofuie hebben durven doen, en fich „ niet ontfien hebban fich foo bloot te geven , en hunne „ fchaemt t'octdekken. Wie en fiet niet waer onfe partyen, „ die de Heeren opmaeken, heen willen , en wat men foekt? ,j rjaemelyk in 't Kerkelyk en in V'polityk den luiden een F 5 »» b*l