Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over HEBREEN IV. vs. 11--13. 9$i

aan Hem rekening te doen. Dit fchynd wel het nadruk-

kelykfte re zyn in de redeneering van den Apostel, die' de Christenen opleid tot den liefderyken, den waarachrigen, alweetenden' en rechtvaardigen God, die hun den-' weg der rust, uit vrye gunst, ontdekte, en daarmede niets beoogde dan hun eeuwig geluk; dog ook nauwkeu, rigst gadefloeg," wie zyn woord geloofde, zyne voorfchriften gehoorzaamde, en dien geöpenbaarden weg bewandelde. Wien niemand kan bedriegen, en die elk het einde van zynen weg, naar zyn woord, zal doen ondervinden.

Hier toe diend des Apostels getuigenis, by nadrukkelyke uitbreiding voorgefteld: 'Er is geen fchepzel onzichtbaar voor Hem, dat is, geen een fchepzel, hoe ook genaamd, noch zyne hoedanigheid, eigenfchap of werking, en derhalven ook geen mensch, noch het geen in denmensch omgaat; geen fchepzel is onzichtbaar voor Hem, die alweetend is. Hy weet zeer net hoe het daar mede gelegen zy. Het is Hem volftrekt in alles bekend. De Apostel fpreekt derhalven van Gods Alweetenheid. Eene heerlyke eigenfchap! welke het Oneindig Opperweezen alleen eigen is. Door welke Hy alles nauwkeurigst kend en gadeflaat, zoodat niets zyne aandacht ontglippen kan, of voor Hem verborgen worden.. Trouwens, alle dingen, niets uitgezonderd, en daarom ook alle de hetmelykfte gedachten en overleggingen van ons hart, zyn ten vollen naakt en geopend, dat is, zy liggen bloot, ontkleed en ten toon gefpreid voor zyne ogen, dat is, voor zyne Alweetenheid, welke door Gods ogen wordt te kennen gegeven, dewyl de Allerhoogfte geen eigenlyke werktuigen des gezichts heeft. 'Er is dan niets aan het aldoordringend oog onttrokken. De allerverborgenfte zaken, en dus ook alles, wat in ons gemoed omgaat, onze beginzelen, neigingen en oogmerken welke nimmer aan het licht komen, noch aan menfchen bekend worden; dit alles is aan God ten vollen bekend. Geene enkele gedachte ontglipt zyne Alweetenheid. Het zorgvuldigst bedekte grondbeginzel van ons hart ligt volftrekt naakt voor Hem. Men leeze hier over Pf. CXXXIX.

Voorwaar eene groote en aanbiddelyke waarheid' Zy moet ons den diepften eerbied voor den hogen God inboezemen , voor wien niemand de verborgene plojen van B 5 zyn

Sluiten