Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 27 )

Weldadig zag ik, hem bewondrend' eiken morgen, Wanneer de tijd ons 't faam aan 't leerend ziekbed bragt, Vol edel, rein gevoel voor zijne lijders zorgen , En als hij van hen ging was reeds hun fmart verzagt. Hoe ftaarden ze op het uur wanneer hij weêr zou komen, En, als hij weder kwam, zag ik de dankbaarheid , Bij 't ftaameleri van de tong , uit fchreiende oogen ftroomen, Daar 't nieuwe leeven zich weêr door hun hart verfpreid. Thans hoor ik de armoe in haar fchaamle woning weenen, Het oord waar een van geuns de waare grootheid zogt, Hoe wel was hij beloond, hoe vrolijk ging hij heenen, Wanneer hij daar tot heil van 't' lijdend menschdom wrocht.

Kier zag hij menigmaal de traanen op de wangen Van 't dankend huisgezin, door hem den dood ontrukt, Daar het geneezen kind in 's vaders armen hangen, Ginds hoe de gaa zijn gaade aan 't dankend harte drukt. Hier kwam de moeder hem 't hcrftelde kindje brengen , Helaas! den lesten troost bij haar rampfpoedig lot, De erkentnis (loot haar mond,zij kon flechts traanen plengen En floeg om zijn geluk een fmeekend oog naa God.

Thands

Sluiten