is toegevoegd aan uw favorieten.

Vaderlandsch woordenboek; oorspronklyk verzameld door Jacobus Kok. Vier-en-dertigste deel. Y-Z.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZIERIKZEE; ' 32<?

te bedreigen, dat zij de Steenen van de Wet zouden moeten draagen. Onder het Stadshuis heeft trien de Vleeschhal, boven welks ingang een Kooi hangt, in welken, doorgaans, Arenden gevoed worden; zonder dat men evenwel, van deeze gewoonte , eene voldoende reden weet aan te wijzen. Naast het «Stadshuis ftaat de Waag, agter welke men dé Meekeure, of het Keurmeestershuisje, aantreft. — De Stadsgevangenis, onder den naam van 'sGraavenjteèn bekend,ftaanda aan de Noordzijde der Oude Haven, is een deftig Gebouw, van blaauwen Ardulnfteen öpgemetzeld. De Hoógö Vietfchaar wordt hier gefpannen, in een langwerpig vierkant Vertrek, aan 't welk een ruim Vak grenst, welk eene groote menigte aanhoorders kan bevatten. Tot het uitvoeren vari Lijftlrafien, Wordt, 's nachts vóór den dag, tót dé uitvoering daar van bepaald, voor 's Graavenfteen een houten Schavot opgeflagen. Eene zonderlinge gewoonte plagt hier plaats1 te hebben, 's Avonds vóór de uitvoering van een Dóodvon-' nis, wierdt den verweezene, ter zijner keuze, van eénigeJ bekoomeüjké Spijze, een Maaltijd bereid. Op deezen Maaltijd wierden verzogt de Baljuw, een der Burgemeesteren» de Prefident van Tfaefaurieren, een Predikant, Zieketroos'tér, Stads - Fabrijk, midsgaders de Proktxreur, zo van deri Baljuw als van den Gevangene. De Baljuw zat aan de reclitef-9> de Predikant aan de fiinkerhand des Veroordeelden. Eerief menigte van Omftanders aanfehouwdé veelal dit Traiirmaak' Doch zedert het Jaar 1739 is deeze wanvoeglijke plegtigheid afgefchaft. De overige Stads Gebouwen, als Lomberd, Arfenaal, Excijns en Kraan, verdienen geene bijzondere ver« melding.-

Wij gaan over tot de befchrijving der Geestlijke Geboü"gen.

Voor alle andere trekt hier onze ópmérking, de Groote $ of St. Lievens-Monfterkerk, dus genaamd, niet naar de grootte , of het wonderbaar Gevaarte; maar om dat mén 'er, van' ouds, eene Vereenigde Geestlijke Bróederfchap ontmoette,* in 't verlatijnd Grieksch Monaflerium, en van daar in gebroken Nederduitsch, Monfler genaamd. Weleer was' her Gebouw den Martelaar levintjs toegewijd. De tijd der ftig-

XXXIV. deelh P