Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ECHTGENOOTË

VAN DEN

HEER

JAN van AKOOY, junior.

Cjcen ydle hoogmoed dryft my aan Om mee der grooten gunst te pralen:

Men moet dien fchitterenden waan Niet zeiden .duur genoeg betalen;

Die gunst is weinig van waardy, Wanneer men haar verkrygt dcor laffe vleijery,

Niet vry en onbefebroomd durft fpreken,

Maar mond eu oogen fluiten moet Voor duizend dwaasheén en gebreken,

Waaraan zieli de eerzuent kennen doet.

Maar als men in zyn' kring, hoe klein , zich kan berpeme» Op vrinden, die men, zonder fchroom, Van die gebreken vry duift noemen, By wie men, altoos wellekoom, Geen dwaaze plet,tigheên, geen nietsbeduidend temen , Geen flaafsch ontzag, geen valfchc nedrigheid, Noch grootfehe brabbeltaal in" acht behoeft te nemen, Maar 't gulst onthaal zich op 't gelaat verfnreidt»

Daar

Sluiten