Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN HAAR MAN. 29 Gy mind haar nevens my? wel aan, trek fluks uw degen » , En zien wy, wie van twee haar t befte waardig is. Julia.

Gy fpot 'er mede , en fpeelt de fnoever na ik gis. Jacob.

Geenfpotten, neen, ik zweer 't, wil op uw voordeel letten.

Ju lia.

Zagt, zagt, zo haaftig niet, laat ik u nederzetten, Eer ge u te laat beklaagt.

Jacob.

Dat is maartyd gefpilt, Ik ben het wel getrooft, doet'alles wat gy wilt.

Julia ter zyden. „ Wél, komt 'er niemand die ons hier zal kunnen fcheiden ?

Jacob.

Watreveltgy? ik zeg noch eens , wil u bereiden , Gy zyt wel bloo, enzoud niet zwichten deze maal, Verftond gy u 't Salet niet beter dan het Haal.

Julia.

Van een dier twee kunt gy met ondervinding fpreeken.'

J ACOB.

ik zal niet ruften voor my 't ander is gebleeken. Ik zeg verweer u... of.. .

Julia.

Stil uw oploopenheid: Het is een valfch gerucht, 't geen zich alom verfpreid : Vrees niet, een hinderpaal, die 'k nooit zal overwinnen, Belet my, datiknooit Conftantie zal beminnen.

Jacob.

Ha blode! zoekt gy zo te raaken uit myn hand? • Gy geeft my hoop.

Julia.

Ik zeg, dat door de huw'lyksband, Zy

Sluiten