Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56 DE WANHEBBELYKE

GEERTRUI.

Wel Lam-lenden, fchieve hond! DERTIENDE en LAATSTE TOONEEL.

ADRIAAN, AGNIET, GEERTRUI, JOOST, HENDRIK, LUCIA.

ADRIAAN.

Jb oei, fchaamt u wac, malkander zo op de ftrast uit te lucteen,

AGNIET.

Nicht,gaan wc in huis,eer dat 'er volk vergaart.

GEERTRUI.

Wat volk? Zulke kluchten Recht me die onverftandige ouwe Rammelaar uit! Hy komt me veur myn deur uicfunfen. Is dat niet een fchayuit?

JOOST (wen? Verdien je 't niet, metuiy myn'eenigen Zoon te onthouIIENIXRÏ K.

Jy hebtongelyk,ik zal haar uit myncigenvryenwil trouwen, J O O S T.

Deeze Bengel valt my altyd in myn woorden.

HENDRIK.

Wel hoe!

Wat beeld gy u in, denk ik? Komt my de eer zo wel niet toe Als u, van eerst te fpreeken? zal ik uw Vader niet haast bectcn ?

JOOST.

Dat zal ik wel beletten; en buiten dat,, moet je weeten, Alhadjy myn Vrouws Moeder, en ik de Dochter van jouw Vrouw,

Dat ik jouw ouder ben , en't eerst fpreeken my pasfen zou,

GEERTRUI.

Wel dan zou't myn veur jou allegaar te faamen pasfen.

JOOST.

Maar ik ben een man.

, GEER-

Sluiten