is toegevoegd aan uw favorieten.

Vaderlandsch woordenboek; oorspronklyk verzameld door Jacobus Kok. Vijf-en-dertigste deel. ZUIL-ZYP.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

410 ZWOLLE.

zeer bedroefden zij zich over den gedaanen afftand in 't ein. de; doch vonden reden van nieuwe blijdichap, toen zij, door onaflaatenden vriendlijken drang, hem overhaalden om van dit voorneemen af te zien, en hij hun beloofde dien pose, nog vooreerst, te zullen blijven bekleeden.

Hoe verre ook het Genootfchap van Wapenhandel te Zwolle gevorderd was, bleef de fiurgerfchutterij nog in de oude laagte; zulks bleek uit een voorftel in April, in eene buitengewoone Vergadering van Raad en Meente aan Burgemees teren, Schepenen en Raaden gedaan, »t welk op deezen zin hep. — Daar het gebeurde te Rotterdam een ieder moet overtuigen van de voldrekte noodzaaklijkheid eener welgewapende en welgeoefende Burgerij, oordeelt de Meente, dat het meer dan tijd wordt, dat het Burgerregiment alhter uit het diep verval waar in het ten dien opzigte geraakt is, herfteld worde, en verzoekt dat Schepenen en Raaden daar toe, ten fpoedigften, de noodige voorzieningen gelieven te doen; en inzonderheid alle Burgers en Ingezetenen van Zwolle, die, ingeval van nood, in de Wapenen, moeten koomen, gelasten, binnen zekeren bepaalden tijd, zieh van eene goede en gelijke Wapenrusting, naar het voorfchrift daar van, door Schepenen en Raaden te geeven, te voor. z.en. Vertrouwende de Meente, dat allen, wier vermogen zulks toelaat, daar toe, overeenkomftig Eer en Pligt voU vaardig zullen zijn; terwijl men bereid is om met Schepenen en Raaden middelen te beraamen, ten einde die geenen, welken zich hier toe onvermogend zullen verklaaren, daar mede, van Stadswege, te voorzien; en uit haar Gelastigden te benoemen om met de Afgevaardigden van Schepenen en Raaden, omtrent een algemeene Wapeniug der Burgerije de noodige fchikkingen te ontwerpen.

In diepen rouwe wierdt de Vrijheidminnende Burgerij van Zwol'e gedompeld, in de maand Junij des meer genoemden Jaars zeventienhonderdvierè'ntacbtig. Op den zesden dag dier Maand, ovorleedt, binnen deeze Stad, ten huize van zijnen boezemvi .end den Bsron van palland tot zuthem Dro/t ian fsfelmuiden', de vermaarde Ovtripjelfche Ridder j. d. van dek capellen tot pen pol. Ten blijke van hoogag-

tinge