Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 33

2ette , en geduldig het langdurig geklag des grijs* aards aanhoorde, hem verkwikte met uwe vriendlijke deelneming , zijnen kleinzoon op uwe knieën naams en 'er mede fpeelde ; toen , toen Karei 1 vloeiden mijne tranen; toen gevoelde ik , dat gij goed zijt!

WALBORN. *

En gij bevondt ü daar, ddar, in dat jammerhuis 1

L O U I S E.

Ja , ik was 'er. — Maar hoor nu verder: op dit oogenblik nam ik het befluit, om geheel de uwe te weien ; de vrees ontweek mij ten eenemaal, en de zuiverfte blijdfchap vervulde mijn hart. Ik ben de uwe, Karei!

WALBORN.

Neen! — ik wil U niet bedriegen! weet gij wel, wat gij mij belooft? — Louife! oprechte, onfchuldige ziel! gij wilt de mijne zijn? de mijne? geheel de mijne ? Gij wilt mij nooit, en alles om mij verlaten ? Gij wilt ftandvastig bij mij uithouden, in jammer en nood zelfs ? Louife!

L O U I J |a

Ik ben de uwe, Karei!

WALBORN.

Ook dan, wanneer uw vader neen zeide?

L O U I S E.

Neen? mijn vader? Hoe kan die neen zeggen?

C WAL-

Sluiten