Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(239)

Prefident Lammers de vraag: „ Wie is die jonge „ Heer?'" In zyn boek noemt hy hem: „ een „ vreemde!" Let wel: de jonge Heer! een vreemde! — word een gebooren en gezeeten Burger, in de buurt van Lammers op den Nieuwendyk woonachtig, wiens Echtgenoote by hem, Lammers , doorgaans, haar benoodigd aardewerk pleegde te koopen, die tevens een eerfte tekenaar van het plan van afzondering', en . behalven by Lammers, als Nabuur en kalant, by allen overvloedig bekend is, deeze word door Lammers in de Vergadering een jongen Heer, en in zyn boekjen een vreemden genoemd!—Nu, op het gezicht.dan van deezen jongen Heer, van deezen vreemden moesten ze alle weder buiten ftaan. En er wierd op voorftel van Lammers gerefolveerd, dat de drie Leden te gelyk, of één hunner afzonderlyk, naar hunne verkiezing, en de vierde vreemde perfoon (NB. hy bleef nog een vreemde perfoon, hoe zeer, ten overvloede, zich bekend gemaakt!) insgelyks afzonderlyk, konden binnen treeden. Welke boodfehap hen, buiten ftaande, door den Koster gedaan wierd, en waarover zy zekerlyk geheel niet gefticht waren; wyl het duïdelyk genoeg te zien Was, met welke minachting en te leurftelling, de Leden der Gemeente behandeld wierden! — Zy hadden eene gemeenfchappelyke zaak; waarom mogten zy dan ook niet gemeenfchappelyk gehoord worden ? Hun getal was immers daardoor niet vergroot? Waren zy verfcheenen, ieder met een groote fomme gelds, om het gemeenfchappelyk in de Vergadering te brengen, Lammers zöude den jongenHeer, den vreemden, wel gekend, en zyn byzyn niet gewraakt hebben! ——. Maar! nu zy kwamen,

Sluiten