Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of ss DAG dï* ZOTHEID.

Fi garo, ter zyden.

O Snode.

Susanna, ter zyden. Bekoorlyke!

De Graaf, neemende weder de hand der Gravin.

Welk een zachte hand ; hoeveel verfchiltdezelve met die der gravin.

De Gravin, ter zyden.

Welk een vooroordeel! (hard) de liefde

De Graaf. 't De liefde... is niet dan de Roman van t hart; het vermaak is daar van de waare gefchiedenis: tis dat 't welk my aan uwe voeten brengt.

De Gravin. Gy bemint haar dan niet ?

D e G r a af.

Ja, ik bemin haar, maar drie huwelyks jaaren maaken het trouwverbond, zoo achtenswaardig. Dk Gravin. Wat begeert gy toch in haar ?

De Graaf, haar liefkozende. Het geene ik in u vinde fchoone , Sufanna 1 Dk Gravin.

En wat?

DeGraaf. .... Ik weet het niet: mindergelykvormigheidmisfchien; iet meer treffende in haare manieren; een, ik weet niet wat, dat de verrukking uitmaakt; fomtyds eene weigering. Onze vrouwen verbeelden zich te voldoen als zy ons flechts beminnen: zy beminnen, zy beminnen, en zyn zoo toegeevend, zoo verpligtend, dat men doorgaans niet vind dan tegeazin daar men het vermaak moefl vinden.

K 3 D*

Sluiten