Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerste bedryf.

29

De Heer Delomer. Hoor, Dominique.... Gy moet niets voor my verbergen... Uw vader verbeeldt zig, dat het u in Parys niet aanftaat. Hy befpeurt in u, zo hy meent, een hcimelyk verlangen naar de plaatfen, daar gy zo lang gewoond hebt. Ik geloof wel, dat myn huis u niet mishaagt; maar evenwel... men is niet altoos meester van zyn neigingen; zo die u van hier roepen, hebt ge uw vryheid, fchoon 't my zeer leed zou zyn.

Dominique, rfe zoon. Och! Mynheer, hos kan men my neigingen toefchryven, daar ik geheel niet aan denk ? Men heeft in myn hart kwaalyk geleezen. Zou ik my van u verwyderen ? u verlaaten ? Och , myn vader ! Och, Mynheer! verbeeldt, u zulks niet. "Gelooft my, ik zou ongelukkig zyn , indien ik in een andere 'ftad leeven moest.

D o m 1 n 1 q u e de vader. Wel zo! 't Is my lief, dat ik my bedrooeen heb. Deeze betuiging ;s te vuurig dan dat ze niet uit het hart zou voortkomen.. Dewyl het dan zo is, zullen wy alle drie te vreden zyn. (Tegen den Heer Delo«ferj Gy ziet, Mynheer , cfat hy niet ondankbaar is; hy heeft u even zo lief als gy hem.

De Heer Delomer. 't Is my ten uiterflen aangenaam. (Tegen Dominique den zoon.) ja, Dominique, 't zou my gefpeeten hebben , zo gy myn huis verlaaten hadt. Gy verdient , dat ik u dit belyd ; ik zie, dat gy meer en

meer

Sluiten