Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6 JANSJE, OF DB

Zij ziet hem met verachting aan , terwijl hij haar, eenige oogenhlikken , met een mal gelaat, jlrek befchouwt.

Wel nu: overmorgen moeten wy trouwen

Met eenen grimlach.

Begrypje, Mdsje? geef me eens een

zoen: want ik nebje lief: begrypje wel?

Hij komt naar haar toe , doch zij floot hem van zich af.

Wel nou wel nou wat fcheeltje?

s wilje niet —— jou, jou, jou Baas

zei het jou wel leeren Begrypje wel? —*

jansje, haarc oogen afdroogende. Laat my met rust, myn vrind; laat my met

rust ik heb geen vermaak in uw gezel-

fchap laat my alleen.

Zij keert zich van hem af.

GOVERT.

Wel wat ben je fpytig! ik zei het an

me Noom zeggen —— begrypje je wel} die

zal je wel dwingen, begrypje wel i —- zon jy

hem tegenfpreken ? jy . . . jy . ... hem,

die je gekleed en gereed heeft, en den kost gegeven} — wat ben je toch! ——

JAKS.

Sluiten