Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE ZANG,

Nu dringt het dichtbefpieglend oog, In onbenevelde gewesten, 't Ziet op d'azuuren wolkenboog, Den troon des Albeftuurcrs vesten: Hier, aan den grens der fterfiijkheid, Daalt d'ongefchaapen Majefteit. Nu ftijgt op grootsch gekleurde wolken d'Aardsch Englenreij, wien 't wendend rond Werd toevertrouwdt, in d'uchtendftond Des tijds, toen d'adem Gods nog ftormde in 'safgronds kolken.

Zij nadren voor den glorljtroon; Niets kan hun reine drift beteuglen, Hun oog, aan 't weemlend ftof gewoon, Bedekken zij met blanke vleuglen. d'Algocdheid die zijn kroost befchouwd, Vraagt naar den post hun toevertrouwd, Tot heil der fterflijke aardelingen, Zijn liefde en grootheid is voldaan, 't Ontwiklend plan ontvangt 't beftaan, Hij hoort door 't groot heelal zijn magt en wijsheid zingen.

Het

Sluiten