Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24 CLARISSA; of,

Eertyds genoot ik myn verlangen;

'kLag ook te fluhnren; maar myn leger werd ontdekt;

'k Zag my verrascht; een mensch, een mensch heeft me op.

Het monster trok myn flaaprige oogen (gewekt>

Op zig; ik zag venyn in d'eene, een fchittrend zwaard

In de andre hand; het hoofd met blikzemen omtoogen;

De ftem, die fchrik en angst en doodlyke afkeer baait,

Geleek den donder, als hy, kletrende , elk doet duchten:

Het wangedrocht deed eerst de welvaart van my vluchten;

Doch, daar meê niet voldaan, wringt het me een dolk in 'thart;

Stort, lachend , moordend gift in de open wond, en tevens

Word ik veroordeeld om de zaligheén des lerens

't Ontvlieden, aan een oord, daar wanhoop, woede en fmart,

Myn eenigfte gezellen waren.

(Diederik, geeft de uiterfte blyken vanverbaasdheid.) Hoe! zou dees beuzeling u reeds verwondering baaren?

diederik.

Niet flechts verwondering, maar maakt zelfs dat ik brand Om uw rampfpoedig lot te hooren.

williams.

Myn lot! — de afgryslykheid gaat boven uw verftand! Zo ik u meldde welk een lot my is befchooren Moest ik een mensch zyn! 'k moest rekhalzen naar uw' dood; Dehaagen fcheppen, door verfchrikking u te moorden ; ó Neen Mynheer, dit waar' te ondankbaar, veel te fnood.

diederik.

Nogthans, naar 't geene ik van u hoorde

Kon 't ligt' gebeuren, als ik u myn' byftand bood

Dat gy in ftaat werd om uw lot het hoofd te bieden.

williams.

Vergeefsch ontwerp!—zyt gy gehuwd Mynheer ?

Sluiten