Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij, wieti het noodlot drukt, betncht het best de pligten, Die de echte menfchenmin zo gaarne wil verrichten: Een edlo ziel denkt groot, belagcht de vuige nijd, Ea lijdt met blanke deugd, wanneer die fchoone lijdt, 'tls waar, wij zien ons foms, bij 't zuiverst pligtbetooncn, Door laage ondankbaarheid, met haat en fmaad beloonen. Men noemt ons dikwijls Vriend; maar 't is alleen in fchijn, De mond is honingzoet, en 't hart verbergt venijn. De opregtheid ziet zich vaak door fnoodheid onderdrukken, En moet, hoe fchuldloos ook, voor fiinkfche baatzucht bukken Doch treft de zuivre deugd hier duldclooze fmart, Die kwelling is alleen een toetsfteen voor haar hart. Best wendenwe, in den nood,naar hoogerkreits onzeoogen; De deugd blijft altijd deugd, zij kreunt zich aan geen logen , Schoon die haar afmaale in een valsch, affchuwlijk licht. Zij (bat gelijk een rots, en wijkt nooit van haar pligt. Hiervan ftrekt Ritldcrf ons ten zigtbaar — heerlijk tecken ; Zijn moed begeeft hem niet, zijn trouw is onbezweken. Zijn dankbre ziel leeft vrij, met zijnen ouden Vrind, Dien hij niet flaafs vcrneêrt, maar broederlijk bemint, Ja zelfs in een Woestijn — ten prooije aan alle plagen. Wil zijn menschlievend hart nog zorg voor lijdren dragen. Door ramp op ramp geperst, gedrukt door hongersnood, Blijft hij der deugd getrouw, blijft hij Sn alles groot. Doch. eindelijk mag de zon van zijn geluk weer fchijnen; üïifciiulrt zegenpraalt, hij ziet zijn druk verdwijnen,

God

Sluiten