Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TR EURSPEL. 13

Myn bloed aan't Vaderland, myn traanen aan myn' Vader! tegen Leonora.

• Wyl myn verwinnaars naam, Mevrouw! u nog niet bleek: 't Was voor den arm eens helds, dat myne kracht bezweek: 'k Verdedigde Harcourt, zieltogend neêrgezegen... En in dien zelfden ftond, kwetst my zyns broeders degen. Toen volgde een naar tafreel ,'t geen nog myn ziefontftelt. „Harcourt! myn broeder!" roept de fchier bezweken held: Hy fchrikt... herkent die flern.... zyn oog vliegt heen en weder...

Hyziethem...gilt...fchiettoe...en valt op'tligchaam neder.

Dus zagen zy elkaêr in die gefteltenis

Gy gist licht wie van hen nu de ongelukkigfte is.

LEONORA.

Wat dierbre panden doet gy hem tot offers (trekken! ó Hemel! welk een fchrik moet dit zyn ziel verwekken!

AMBLETUSE, tegen Saint Pierre. De Burgerhopliên zyn hier allen by elkaêr. Zy wachten dat uw mond hunn' laafden pligt verklaar'. SAINT PIERRE, na Ambletufe een teken gege en te hebben om hen binnen te leiden, tegen Leonora. Beuier 's Volks moed: doe hen uw' Vader dus herkennen; Zo leere uw kunne naar uw voetfpoor zich gewennen: Deze is het, die fteeds de onze aan haaren dienst verpand, Terwyl zy vaak bewerkt der mannen hoogfte fchand; Maar ook, zo vaak zy ons het gloriefpoor wil wyzen,

De

Sluiten