Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26 / DE DOOD VAN SENECA,

AGRIPPINA.

Wat fchrikkelyke keus!

PISO.

Dat monster!

POLYBIUS.

Groote Goden!

SENECA.

Wat jammert gy? of is 'er zo veel moeds van noden,

Om zulk een laag bevel te volgen? — myne hand

Is vaardig, ik vertrek naar fchooner vaderland,

Daar ik u allen, ó myn teergeliefde vrinden!

Na d'afloop van uw reis eens weder hoop te vinden.

De wondre fecte, die 'er thans in Romen huist,

En door den dwingeland vernield wordt en vergruisd.

Heb ik befpiegeld; —» en haar ftelzel deed my leeren,

Dat deugd aan de andre zy' van't graf zal triumpheeren.

Hun zedeleer befchaamt zelf Cicero. — 'k Beken

Dat ik bykans, gelyk Agrippa, kristen ben.

Myn vrienden, laat ik dus niet lang hier meer vertoeven ,

Myn lot de teêrheid van uw harten niet bedroeven,

Maar ik, op Cefars wil, in deezen jongften nood,

Myn eind verhaasten door den mooglyk zachtften dood.

AG RIPPINA. Neen, Seneca, ik zal vooraf den dwingland fpreeken,

Ter

Sluiten