Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 49

óns plan — het beroepen op onfchuld — het verwijten van verraad —* van ongevoelige ondankbaarheid, — dit alles ontroerd njij , en doet mij voor eenen verderflijken

uitflag , voor ons, beducht zijn

M UIT AP H A. (hem fthielijk invallende.j IJdele hersfehenfehimmen! alles zal wel gaan; zijn zij onfchuldig, dit beteekend niets; zij zijn Ongelovigen, en die te vervolgen, gebiedt onze Wet; — maar laaten wij deeze kibbelingen varen; denk eens, hoe hoog wij, volgends de belofte van Orasmijn , door Soüman zullen verheven worden! Hij moet ons helpen, wij zijn zijne medeplichtigen ! — kom gaan wij! —— het ongeduld om de beloning te ontvangen, geeft vleugelen aan mijne voeten. — Al is mijn oog, zoo diep verborgen, gelijk dat van eenen Mol, ik zie tog duidelijk, dat mijne wraak- en winzucht, volkomen gelukt zijn!... Hoe blij ben ik! ja, Ibrabim ! uwe fchroomvallige denkbeelden ,■ moet gij vaarwel zeggen ; kendt gij — en wij zijn juist in dit geval , het is zonderling , dat het op ons zoo toepasfclijk zij -— kendt gij het fpreekwoord der ltaliaancn, wegens de Pauwen ?

IC R A K I Mi

Neen! hoe zou ik dit weten, die mij weinig met 011 derzoeken bekommer.

MUSTAPHA.

Verkeerde toepasfingen ter zijde , ik zal 't U zeggen : „Wij zien 'er uit als Engelen , fchreeuwen als de Dtri„vel — en (luipen weg als Dieven.'' — Kom, laten wij naar Orasmijn gaan. ■— Alles is gelukt, het zal alles wel gaan. — Zijt vrolijk Ibrabim! — Orasmijn zal ons, van onze kwaal geneezen!

I B-K, A-

Sluiten