Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KLUCHTSPEL. 29

ROBBERTUS.

Wel zulks ftaat elk vty; en had ik het niet verricht, een ander had het gedaan.

Jan begint te lachcben. REINDERT LUIKESZ.

Waarom lacht den fchobjak ? ik zei je ftrak boenen dat ie de lenden kraaken.

ROBBERTUS.

Dat zal ik, voor u, wel waarneemen als hy het daar

na komt te maaken; Maar hy lacht nu alleen om dat gy zo buiten de reden

fpreekt.

REÏNDERT LUIKESZ.

Wel jy lykt al verftandig, ik geloof dat 'er al vry wat in jou fteekt;

En je zond noch meer kennis hebben, maar, zonder

jou voor te liegen, Men ziet ruim de helft van jou verdand met jou wilde

kleeren weg vliegen.

ROBBERTUS.

Zie zo zyn veele Menfchen, en daarom moeten zybe-

droogen zyn; men ziet op 't kleed Zofterk, dat men de deugd, die in't hart woond, daar

door vergeet.

REINDERT LUIKESZ.

Zou ik niet op het kleed zien ? en op jou wilt leeven}

dat elk kan betchouwen? Dat ik jou myn Dochter gaf, ikzoumynoogennietaaa

't hoofd houwen Door 't gepraat van de Menfchen. Maar hoor, wat zon

jy zelf zeggen , als Jy een vos by een Tortelduif zaagt zitten 5 de Vos is wilt

eri vals,

En

Sluiten