is toegevoegd aan uw favorieten.

De geest der Nederlandsche dichters

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 29 )

R O S E L IJ N.

Als eens uw blaadtjens zijn verdroogd,

Geen Lente-zog hen weder zoogt;

Legt eens uw Heel zijn knopjen af,

Nooit rijst het weder uit zijn graf:

Maar wel een uw's-gelijke blom

Brengt ons de Lente wederom.

Dan 't gaat niet vast,, wanneer de dood Deze oogen van haar kragt ontbloot, En mij 't gemeene pad doet vliên, Of de aarde mijns-gelijk zal zien.

ROOS. Indien de gaven van de jeugd Nooit keeren tot haar eerfte deugd, Maar gaan van dag tot dag meer af; Waarom dan, 't geen de Hemel gaf, Dus kleen geacht ? voorwaar , indien Gij zoo uw gaven heên laat vliên, Was 't vreemd, indien, na uwen dag, Nooit oog uw's 00gs gelijk en zag?

dezel/Js.