is toegevoegd aan uw favorieten.

De geest der Nederlandsche dichters

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 3i )

Hij, als of 't hem deernis gaf, Spoelt ze met zijn traantjens af, Dektze met zijn wiekjens toe: Ben ik weder 't klagen moê, En fchep lust uit dezen ftand, Hij verdubbelt mijnen brand, Gunt me een flikkerig vertoog

Van een ziel - betovrend oog. Schoon ik in het duister zwerf Om mijn hoogfte harten-erf, *t Licht van roselijn te zien; Nog kan ik hem niet ontvliên: Want hij komt en ligt mijn* voet, Waar hij gaan en keeren moet. Dus, hoe ik mij wende of keer, Hij verlaat mij nimmermeer; Op dat mijne minne-rouw, Nimmer-eindig duuren zou.

Jezelfds.