is toegevoegd aan uw favorieten.

De geest der Nederlandsche dichters

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(7i ) JOB.

Job kwam van buiten 's lands en vraagde naar zijn vaertje;

Men zei hem: — Hij is dood. Wat Duivel, riep hij, dood! Men Moer?al dood. Mijn Broers ? al dood. Mijn Zuster Maertje.?

Dood. Duizend duivelen fta ik dus naakt en biood! Hoe is 't toch met de Hond, daar ik mij in verlustte?

Al dood. — Toen was 't:— arm dier! bij de andrcn moet hij rusten.

dezelfde.

J A N.

Jan moest ter galge gaan en wou 'er voorwaards op,

Te rugge, zei de Beul, dat is geen ftijl van fterven,

Het waar een valfche leer, en zou de konst bederven;

Vergeef 't mij — zei de Bloed -r het is mijn eerfte ftrop.

dezelfde,

GROOTE EISCH.

Vriend, zei een gichtig Heer, mogt ik uw voeten erven,

Aan een misdaadigen , die aan de Galg ging fterven;

De Hangebast zag om en zei 'er niets op — als:

Mijn Heer — ik maak ze u bei', leen gij mij flegts uw hals.

dezelfde.

E 4