Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32, DE WA NHOOP.IGE

Een zeer gefchikt Jongman, die alles uw vermeld. Mama.

Iri Godsnaam, ach myn Heer hoe is het doch gefield | Zeg, is hy dood, of ziek? zeg, is myn Zoon in 'c leven?

Hendricus; Hy is gezond Mevrouw.

Adriana.

Wil orts te kennen geveri Waar het aan houd, als dat wy niet myn Broeder zien.

Hendricus. Gy hoord zeer gaauw 't geval.

Andhhas (ter zyr/e.) „ Ja, al te gaauw misfchien." Maria. ,

Wat zeg gy! het geval? wat heeft zich toegedragen?

Adriana.

Ach! Moeder! Moeder! Ach!

Hendricus.

Juffrouw! weest niet verflagen ^ Uw Broeder leefd, ik zweer, hy is gezond en fris;

Maria.

Waarom komt hy dan niet? voor zeker en gewis, Schuild 'er wat agter, ach ik fmeek uw wild ong zeggen,

Hendricus.

Daar komt een Jongman, die 't Mevrouw wel uit zal leggen.

E E N-

Sluiten