Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3o DE GELUKKIGE MORGEN,

LINDENHEIM.

Ja, lieve Martin!

MARTIN.

Dat verheugt mij, mevrouw! dan hebt gij een goed werk verricht. Menfchen, die 'elkander zoo beminnen als Karei en Sophia, moeten niet gefcheiden worden; dus blijft Sophia hier?

SOP Hl A.

Neen! zoo heeft mijne moeder het niet gemeend.

MAR TIN.

Niet? _ Nu dat is ook niet met al. Als Linden- . heim een beftaan heeft, koomt gij toch weder hier, en. . . •

SOPHIA.

Martin verzei mij en mijnen Karei naar het outer.

MARTIN.

Dat is gezegd; en laat het bruilofts-maal aan mij over.

LINDENHEIM.

Sophia! wanneer zal ons dat heil gebeuren!

SOPHIA.

Wanneer!

MARTIN.

Weldra, kinderen ! (tegen Lindenheim) In 't kort moet gij immers een beftaan hebben »

Mevr. STERNBERG.

Welaan, kinderen ! laat ons gaan. Men moet geen oogenblik verzuimen dat ons nader aan het doel brenge. Maar vooraf nog iet, lieve Martin!

MAR-

Sluiten