is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandeling van het provinciaal Utrechtsch genootschap van kunsten en wetenschappen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

240 Van de Geneezing

deren verhard. — Sommigen zochten dezelven ia een fijn Zuur van eenen bijzonderen aart, en fchreven daar aan de roodheid der Beenderen toe. —— Anderen, gelijk Oetinger in zijn gefchrift te Tubingen, den 22 December 1769 verdedigd, fchreven dit toe aan het Phlogisten. — Wij, voor ons, verwerpen alle gisfingen in de beoeffening der Geneeskundige Praktijk; — echter meenen wij, best te kunnen verdedigen, dat de Meekrap de weeke Beenderen, door den Aard- of Wijnfteenachtige ftoffe verhardt. — Wat bier van zij, aan de zekerheid der zaake is geen twijfel, want, uit verfcheiden Proefnemingen , heeft men beiloten, dat niet alleen de beginnende, maar zelfs verre gevorderde Weekheid van het Gebeente, door de Engelfche Ziekte nagelaten, door den Meekrap is gefruit en herfteld.

Men vergenoege zich met deze Aanmerkingen.

1. De Meekrap komt, in deze Ziekte, alleen te pas, wanneer men verneemt, dat het Gebeente, na de Engelfche Ziekte, de behoorlijke vastheid niet verkrijgt. — Zoo lang de Zuure kwaadfappigheid beflrond, zag ik van dit Middel geen voordeel* ten zij het zelve met anderen, welken op zich zebven genoegzaam waren, vereenigd werd.

2. Men moet met dit Middel lang aanhouden., eti flaagt men niet fpoedig genoeg, niet wanhoopen. —

m