is toegevoegd aan uw favorieten.

Toneel werken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 5« )

Donderbast, [Kees beziende."]

Die arme hals! — Kees ben je al dood? — Zoo waar ik leef hij fpreekt niet.

Kees, C zijne oogen flaauwclijk openende. ]

Och' och! — och! jemie; ó [de Wagt er s beziende] ben jullij daer nog? — ó mijn hoofdje!

Donderbst, [blijmoedig.]

Hij leeft nog! dat is goed ! — Kees! wees maar geruft; ftraks komt de Heer Vrijlief thuis, en dan zullen we ie terftond helpen, en dien dit en datfchen Mijlord op boomworft trakteeren.

Kees, [flaauwelijk. ]

Das — das niet noodig! — eet liever eerft je ham op, en gaet dan mantels haelen, om ageer min lijk te gaen. [tegens Gerrit] Och Gerritje ; ik zei et niet lang mier maeken; — min aefempie begint zoo te krimpen.

Gerrit, [fchreijende.]

Och! mijn arme Kees ! och heertje, kijk eens, zijn neus word al bleek. — Kees! wil je ook een Notaris hebben, om je teftament te maken?

Kees.