Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het eenigfte dat mij nog ten kleine hindernis ftrekt is, dat Jan het plan maakt, om in ftilte zijn geweezen Vaderland te gaan bezoeken. Hij heeft een onoverwinlijke begeerte om aldaar zijne Vrienden te aanfchouwen, — een zwak, dat mij zomtijds ook bekruipt, — doch dat ik vrees, dat een trek is van het ongeluk, welks lange armen hij hier ontloo-

pen fchijnt te weezen. Gij moet dan

weer blindemannetje fpeelen, Jan ? vroeg ik hem : de tegenfpoeden blijven dan te lang onderweg, komen niet fchielijk genoeg ? Gij

moet hen te gemoete fnellen ? Hij haal*

de de fchouders op: zo lang er Liefhebbersin de kolfbaan zijn , zei hij , moet de bal vliegen en geflagen worden! Ongelukkig fchijn ik zulk een bal op den Aardbodemte weezen. 't Is mijn lot niet om over zatijn? te rollen en tegen fluweel te botfen.

Maar gij hebt het hier immers wel?

„Ja! — maar,"

Maar ?

„ Maria vertrekt!"

Wel nu, zij keert weder.

„ Helaas! hoe lang lijd dat niet 1" ——

Wel nu eenige weeken ?

m Zijn zo veel eeuwen!"

Regt

Sluiten