Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En dwaas, om 't klippig ftrand, zich westwaard op vertrouwd» Dies wendt de Stuurman 't roer en kiest het ruime zout.

De nacht bedekt de zee met haare vaale vlerken-; Een Seraph, neergedaald uit 's Hemels hooge perken, Onzigtbaar voor het oog door fchaduw van den nacht, Sluit Ade&aarts gezigt met zoete fluimerkragt. In rampfpoed heeft de flaap een balzemend vermogen. De droevige Adelaart fchynt aan zyn leed onttoogen. Nu wordt hy door geen golf of holle zee verfchrikt, Doch naauwlyks hadt de flaap al zyne leen verkwikt, Of daadlyk keert de zorg voor Eloïze weder, Hy werpt in eenen droom zich voor een outer neder.

4

En bidt voor Eloïze om redding uit gevaar.

Hy ftaart op 't fchildery, tot cieraad van 't altaar,

Waar de Engel G abriel de Maagd Marie ontmoette,

E3 met zyn vredeölyf die Maagd tot Moeder groette.

Dan 't was of dit altaar en 't fchilderftuk verdween,

Daar de Engel Gabriel aan Adelaart verfcheen.

B 4 Gy

Sluiten