Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JACOBA van BEIJEREN. 225

boVeri liet water zag uitfteeken. En om den tijd te korten zong zij voor Bathilde ecu Treurzang op dat deerlijk ongeval, door haaren Borselen vervaardigd.

Een kille en doodfche huivering Bevangt mijn' zidderende leden,

Daar ik van 't waterjammer zing, Dat Neêrlands boezem heeft doorfncedcn. Wij zeilen, wijl het hart mij treurt,

Voorbij de Dordfche muuren: o Stad, van Hollands erf gcfcheurd* In die afgrijslijke uuren.

's Lands oudfte Stad! welk ijslijk wee! Gij ziet den vloed ter lippen klimmen.

Het vruchtbaarst oord fehijnt baare zee, Wier golven zelf uw' vest begrimmen. Allengskens wordt, bij d'uchtendftond,

De ftorm in band geklonken, Gij flaat uwe oogen in het rond, 't Is al in 't diep verzonken.

De toorens heffen hunnen top, Als masten van geftrande fchepen,

Naauw uit den diepen afgrond op, Of uwe boezem, aangegreepen Door bitt'ren rouw, barst fchreijend uit.

Uw' klagten, aangeheeven Biet een benaauwd en dof geluid, Doen Delf. en Schieland beeven:

P „ Noem,

Sluiten