Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22ö FRANK van BORSELEN es

„ Noem, noem mij, o Bataafsch gedacht! Wijt felle fchrik uw bloed doet flollen,

Een aakeliger jammernacht. Laat af; 't gefchiednisblad te ontrollen, Laat af, klim beevend op mijn wal,

Daar ziet gij God verbolgen, Zie hoe één nacht een twintigtal, Van dorpen heeft verzwolgen.

Tel, wijl uw oog in traanen fmelt

Uw vinger beeft de toorenfpitzen.

Gij dwaalt, terwijl gij fchreijend telt. De toorens, de aakelige gidfen Der jammeren, zijn het overfchot

Van dorpen van gehuchten,

Poog 't denkbeeld van des Landmans let, Biet mijnen wal, te ontvluchten.

Ge ontvlucht den wal, van waar uw oog

ten drom van lijken aan ziet bruifchen

Slaat zwijgend de oogen na om hoog. Om laag hoort gij de beeken ruifchen Der traanen, die den Bloedverwant En vriend uit de oogen leeken. Daar hoort gij de Adel van het Land U om een aalmoes fmeeken.

Klief nimmer, nimmer, naageflacht, Deez' plas, waar duizenden verfmoorden,

In Hollands ijzelijkften nacht, Waar dorpen, velden, vruchtbaare oorden

Ver-

Sluiten