Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 6 )

Wij die reeds lang zoo fchuldig waren —

Wij wierden in uw' gunft behoed !

Geftaêg is ons uw' liefde ontmoet ! — Uwe Almacht borg ons in gevaaren! —

Uwe Almacht dekte ons Vaderland! . . . Voor water, vuur, en peft, en dolken — Die geesfels voor ondankb're volken,

Zijn wij bevéiligd door uw' hand!

Uw Naam, Erbarmer! zij gepreezen!

Doe *t hart, dat nog gevoelloos is, Meer gloeien van erkentenis —

-Dat harte niet zoo rotfig weezen I O Gij, Beflisfer van ons lot!

Schoon wij aan de ondeugd zijn verbonden,

Weêrhoud toch voortaan om die zonden Ons uwen zegen niet, ó God!

De vriend der deugd moet angftig weenen — Hij beeft te rug van 't doodfch verfchiet— Wanneer hij 's Lands verbaft'ring ziet! » .

De grijze Bato, weêr verfcheenen , Zijn Nakrooft ziende, fchreide ras: —

En, denkende aan de vroeg're dagen,

Zou hij gewis met ziddring vragen,

Of dit zijn oude Neêrland was ? ... •

Ach!

Sluiten