Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laatzichhierin'tGeboomt, vol dichte takken, hoorens.

Na 't ondergaan der Zoon, fchier heele nachten lang. En fchoon de guure Herfst en barre Winterdagen,

Noch Hof, noch veld aan 't oogbehaaglyk maaken kan,. De Winter heeft alom, maar minst op 'tLand zyn plaagen T

De Stedeling gevoelt meêr ongemak daar van. Zo 't nimmer Winter waar zou men geen Zomer kennen,

Thands deelt de lieve Lente u 't aangenaam genot Van haar vermogen meê; thans zweeft ze op zachte pennen

Van Zephirs door uwHof, en kroont uw Huwlykslot. Het jeugdig Bloemgewas vermeerdert op uw treeden,

En blinkt in 't liefiyk groen met keur van glanfenuir. Om elk op 't fchoonst den grond van 't Lustvcrbly f te kleeden

Datiij lofwaardig Paar! in zynen kring befluit» De banden van het bloed doen ons in 't Heillot deelen,

Datgy zo mild geniet, wy roemen 'r, blytemoê, En wyden, laar de taal van 't hart u niet vcrveelen!

Schoon ons de Kunst ontbreekt, u onze wenfehen toe. De Algoedheid, die ge erkent als oorfprong van den zegen,

Waarmee ze u heeft bedeeld, en kroont tot op dit uur, Onttrekk' haar Gunst u nooit, blyve altoos u genegen,

En.

Sluiten