Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 216 )

over het Poeëtifche in de Schilderkunst, maar alleenlyk redeneerender wyze, eenige aanmerkingen, deswegens, voor te draagen. 't Is, op verre na, niet genoeg, dat de Schilder of Tekenaar, de proportie, den ftand, of werkingen; dat hy de gedaante zyner voorwerpen door den omtrek, bepaald heeft! Neen; dan moet hy, door een gepast gebruik der Meuren, of, dat dezelfde uitwerking doet, door de lichten en fchaduwen, de vereischte kragt en houding, aan zyn Stuk byzetten, en de voorwerpen doen ronden of verdiepen, wyken of uitkomen; die fchilderagtige fpeelingen, van heele en halve tinten, toetfen, zonlichten, reflexien, en flagfchaduwen. Wat is dat anders dan de Poëzy van het koloriet, de lichten, en fchaduwen? Jammer, ondertusfchen, is het, dat veele groote, ja de grootfte, Meesters zelf, dit voornaame deel van de Poëetifche Schilderkunst, voor hunne oefening te gering geacht, en die alleenlyk, aan de vinding,

Sluiten