Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ii APRIL 1800. 103

Arr. 16.

Daar eene ongelukkige ondervinding heeft geleerd, dat, hoe zeer de meefte Ingezetenen van het Bataafsch Gemeenebest, de huu opgelegde lasten gewillig en met alle getrouwigheid hebben opgebragr, fommige andere echter, ten dien opzichte zich deels aan eene onverfchoonlyke achteloosheid, deels aan een llrafwaardig plichtverzuim hebben fchuldig gemaakt, en daar door den last op de fchouderen hunner Medeburgeren niet weinig gedrukc, en dus noodzaaklyk gemaakt, de voorzorg tegen ftegce praclyk te verdubbelen, en de braven de verzekering van een gelykenopbrengst te geven, zal het Vertegenwoordigend Ligchaam, op voordrage van hec Uitvoerend Bewind', nadere bepalingen maken, omtrent de meest gefchikce en minst koftbaare wyze van onderzoek, of zich een ieder in deezen van zyn plicht heeft gekweeten; zullende daarby fpeciaal worden in hec oog gehouden, dac deBeziccingen van de afzonderlyke Ingezetenen niec nodeloos worden bekend gemaakt; en dat met alle befcheidenheid worde gehandeld, ten aanzien van de ingevulde Quotilatie Billetcen, welke provifioneel verzegeld onder de refpeftive Gemeente Beftuuren zullen blyven berusten; om na hec afloopen van hec onderzoek, hec welk echter mee al dien ernst en vigeur zal worden uirgeoeffend, welke het belang des Lands vorderc, te worden cerug gegeven of vernietigd.

Art, 27.

De zodanigen, welke zich,- ten aanzien van de Heffing van 3 een honderd, by wyze van voorfchot op de Bezittingen,niec naarbehooren van hunne verpiicr. ting mogten hebben gekweeten, en zulks, hec zy voor zich zelve, hec zy in eenige qualiteit moetende M z fourjj

Sluiten