Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

226 VADERLANDSCHE XLVI.Boek,

voet raakten, en vertrapt of in 't water gedrongen werden. De Kapitein Kommelin, verdagt, dat hy last tot fchieten gegeven hadt, week ter Stad uit, en werdt eerlang, openlyk, ingedaagd. Een Luitenant, Sebastiaan Liidolfvan Eizen genoemd, werdt vastgehouden. Hy bekende, gezeid te hebben, fchiet 'er onder, hebbende hy de opfchudding aangezien voor 't bedryf der matroozen, die de Regtsoefening kwamen ftooren. Hy zat tot in 't volgende jaar, en verwierf toen, op hooge voorfpraak, Brieven van vergiffenis (d). Maar Kommelin werdt onbekwaam verklaard, en uit Amfterdam gebannen (e). Doch 't bleek nier, dat men 't, met deeze beweegingen, aangelegd hadt, op het bevorderen van de belangen des jongen Prinfen van Oranje. Ondertusfchen, was 'er, ter oorzaake van de beroerte te Amfterdam, nog iet gebeurd, welk hier verdient gemeld te worden. De Regeering hadt, terftond na 't ftraffen der misdaadigen, eene foort van algemeene vergiffenis laaten afkondigen, voor allen, die deel aan den oproer gehad hadden. Doch de Staaten van Holland, zulks aanziende als eene inbreuk op hunne Souverainiteit, aan welke alleen het regt behoort, om vergiffenis te verleenen van openbaare misdaaden, toonden 'er zig zeer over gebelgd. Amfterdam erkende, uit hoogen nood, en zonder kwaad oogmerk, tot deezen ftap gekomen te zyn. Doch de Staaten hielden zig niet voldaan, voor dat de Stad beloofd hadt, zig,

voort-

(cl) Refol. Holl. 16 03. 1652. II. 462. S Maart 1053. bl. 84. («; Aitzema III. ü«d, bl. 746, 874, Holl. Mtrkur. van 1Ö52. bl. 01.

Sluiten