Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VÖÖRREDÈ. xxiX

öhs werk gevoegd, die in 't eerfte deel meest voorkomen; doch in 'tgevolg allengskens verminderen zullen. In dezelven, helderen wy fomtyds iets op, dat, in oude Schryvers, duifter fcheen, en zoo bekwaam niet in 't lighaam der Historie kon ingevlyd worden. Doch doorgaans dienenze tot opheldering der oude Landbefchryving, waartoe ook van nut zyn de Kaarten, die wy, in 't werk, hebben ingevoegd: in het famenftellen van welken , wy van de beste Landbefchryvers gebruik gemaakt hebben.

Wy hebben noodig geoordeeld de oude naamen der Landen en Steden te gebruiken, tot dien tyd toe, van welken ons, met genoegzaame zekerheid, bleek, dat de nieuwe naamen in gebruik geraakt waren. Ten opzïgté der Volken inzonderheid, is het niet wel mogelyk, de oude naamen altoos te verklaaren met hedendaagfchen, die volkomenlyk aan dezelven beantwoorden. De grensfcheidingen der oude Volken zyn of naauwlyks bekend, Of, in laatere tyden, zoo zeer veranderd, dat zy geheel niet, met die der tegenwoordige Volken, overeenkomen. Wy noemen dan de Eburonen geene Luikenaars; de Menapiërs geene Brabanders; de Mofinen geene Vlaamingen ; de Kanincfaaten geene Kennemers enz. om dat alle deeze Volken, op zyn best genomen, maar een gedeelte der Lan*** den,

Sluiten