Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANMERKINGEN. 23

onze reizigers omtrend den Godsdienst van vreemde Volken. Het naaste berigt zouden wy kunnen krygen uit de Edda en andere oude Noordfche Schriften, waar in wel veele Fabelen voorkomen, aan welke deeze Volken boven de andere Germaanen overgegeeven waren, maar ook veele waarheden. En daaruit zien wy, dat zy eenen God gekend hebben, welke van Eeuwigheid is , en tot in

Ééuwigheid leeft: die Alweetend is, en

der menfchen doen ziet en opmerkt:

Almagtig, de Schepper van Hemel en Aarde : die de Waereld als zyn Ryk regeert

en voor alles wat groot en klein is zorgt, — en daarom Alfadur, of aller Vader genaamd wordt (q).— En dat deeze denkbeelden by de oude Germaanen waarlyk plaats greepen, dat dezelve als oorfpronkelyke, en niet uit den Christelyken Godsdienst ontleende , mogen worden aangemerkt , kunnen wy uit Tacitus zelfs opmaaken. De Germaanen geloofden, dat God in hunne heirlegers tegenwoordig was, en daar het opperfte gebied voerde (r). De Semnonen, de oudften en aanzienlykften der Sneven, vierden hunne nationaale Godsdienitige vergaderingen in een heilig Bosch, waar niemand in ging, dan met een band gebonden, om zyne minderheid en de magt der Godheid aan te duiden. Zoo hy by geval neder viel, mogt hy niet opge'rigt worden nog opftaan , hy wierd langs den

grond

(q) Zie T. Arnkieis , Eröffnung vom der Cimbrifeita uni Metterniichtifchen Fokker. I. th. (r) Tacitus de Moribus Gerra. C. VII. X.

B 4

Sluiten