Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANMERK, óp het II. DEEL. ar

fte gevoelen, en tegen dat, 't welk de Gift aan Koning Lodewyk, Zoon van Lodewyk den Vroomen, toefchreef,- en door Wa g. is gevolgd geworden. Ter overtuiging hier van kan het volgende {trekken. De Kancclier Gezo, die, in plaatz van den Aartsbisfchop Othelrik, het Stuk onderteekende, wordt in den tyd van Lodewyk, byzonder in 868, niet gevonden; en, integendeel , wierden die bedieningen, toen , door Anderen bekleed. Ook ftrookcn dit jaar 868, en het 15e. jaar (zoo als de oudlte leezing heeft) (w) van Lodewyks regeering, mitsgaders de 12e. Indictie (tydmerken die , op 't einde van den Brief, voorkomen) geenzints met elkander: daar, midlerwyl, zig alles doet vinden , wanneer men het Charter brengt tot LoTiiARivs, welke naam, zeer gemaklyk, uit dien van Lothovicus is kunnen verfchreeven, worden, 't Is immers bekend, dat de naam van Emma, (op welkers verzoek de Gift wordt gezegd gedaan te zyn) even zeer dooide Gemalin van Lotharius, als door die van Lodewyk gedragen wierdt; dat ook, onder de regeering van eerstgemelden Vorst, welke van 12 November 954 tot Maart 987duurde, een Mollandsch Graaf Dirk, (de tweede van dien naam) regeerde; dat toen Othelrik, Aartsbisfchop van Reims, zedert 962 tot 971, Opperkancelier was; in wiens afwezen Gezo meer Charteren blykt onderfchreven te hebben. En daar men, tellende van November 954tot April 969, nederkomt in het 15e. jaar van

het

C«0 Kluit I. c. T. i. p. 1, p. $a.

Sluiten