Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAC AS SER, AMBOINA, enz. i$

Daags te vooren was ook overleeden zekere mattheus josEPH agoo , geboortig van Luik, welke mij, aan boord komende, zeide: „ dat „ hij een Leermeester in de Latijnfche, Fran„ fche , Italiaanfche en Hoogduitfche Taaien „ was." Doch weinig dagen daarna begon hij zich als eene verftandelooze te gedraagen, en verzogt mij om aan wal gezet te worden. Ik vroeg hem, of hij eenige reden had om zich over eene kwaade behandeling te beklaagen? 't welk hij met neen beantwoordde; er bij voegende: „ dat hij zich „ verbeeldde, dat zijn Noodlot hem aan land en „ niet op het fchip riep." Ik trachtte hem van het tegendeel te overtuigen, door hem te beduiden, dat mijn Noodlot, zoo wel als het zijne, en van al het fcheepsvolk, ons tot de reize naar Indie had geroepen. Hierop zeide hij: „ Dat hij, „ om dan ten eenemaal gerust te zijn, zijne vrouw ,, en kinderen aan boord begeerde." Na dat hem dit ook was afgeflagen, verzogt hij andermaal om aan land gezet te worden, beloovende, bij al wat heilig was, zich onder de Capucynen te zullen begeeven. Ik zag dat er weinig met hem was aantevangen, waarom ik mij van hem ontfloeg; te gelijk de Officieren bevelende naauwkeurig acht op hem te geeven , en te zorgen dat hij niet kwalijk behandeld wierd. Den volgenden morgen om zeven uuren ftond hij bij de valreep, groette al de omftanders en fprong over

boord;

Sluiten