Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gefchetst zien, leeze, wat de Heer de la Rui in zyn Heldhaftig Zeeland, bl. 201. daar van getuigt.

Men befluite met aantemerken, hoe het te bejammeren zy, dat zoo veele osjrfpronkelyke Hukken, als door de Kruiningfe Heeren onder hunne Charteren mogten bewaard zyn, door het uitflerven van dat beroemd Geflacht, door verhuizing, Oorlogs rampen, Water-vloeden, en weinige zorge van die, aan welke het op» zicht was toevertrouwd, zyn weggeraakt, en dus derzelver gefchiedenis vol duisternis entegenftrydigheden hebben gelaten, terwyl zy aan die van dit Eiland en het heele Zeeuwsch Gewest een oneindig licht hadden kunnen byzetten, want wie twyfelt, of zoo een machtig Geflacht bezat fchriften, daar zy hunne afkomst en voorrechten, ook die van haarer Heerlykheden van de vroegfte tyden af mede bewyzen konden; dan is 'er nog iets over, het zit in verborgene plaatfen, word van de worm verteerd, en de eigenaars kennen 'erde. waarde niet van, of weten niet dat zy iets diergelyks bezitten.

VERE,

$9 J«ni ï79Sh

Sluiten