Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BATAAFSCHE V R IJ H E I D. 283

Die flegts ten haring of op zoute visch gaat vaaren, Tot Jutland toe en bij de hebridcs ervaren. Ja weet zelfs blindelhig, en in de duisternis, Bij 't flaauwe ftarligt wel te raamen waar men is. Zie ginder is het rif van Jutland voor Noorwegen, Men volg die op den drift, tot dat de hornen tegen Het hondszand fchuimen, of met de eb weêr vloeijen aan Den zandbank, waar men 't diep op dertig vaam voelt ftaan. Vergeef, mij zo 'k hier vrij en rond uit onderrechte. De Vrijheid, vindt dit heusch, bedankt den braven knechts Voor zijn gulharte raad; zij had nu al dien tijd, Van twee weeks zeilens, met haar fcheeps Cornels verblijd,

In

nalaten, hier in te lasfen, dat onze Zeilgasten die hier te lande eenig Meen Eilandje hij de meeren en moerasfen vinden, gewoon zijn zulks faijerel te noemen, zo als hijzonder de Zeilgasten van de Kage, nu een Meen dorpje, maar voorheer. bloeijende door veele Zeegasten, buisvaarders en kaagvaarders (waar van het dorp zijn naam heeftook een zeker Eilandje in de Kagermeer Faijerel noemen, ontleend van het Meen Eiland Faijerhill.

Sluiten