is toegevoegd aan uw favorieten.

Inleiding tot de kennisse der natuurlyke wysbegeerte.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70 Over de Newtoniaansche

worden. —— By aldien gy dit hadt willen voorkomen, dan moest uwe poging om uitteftappen grooter geweest zyn , dan de beweeging van het vaartuig op die tyd was, dat nochtans niet gemakkclyk te doen is. — Maar vooronderfteld eens dat zulks gcfchied, dan is het zeker, dat men nimmer op die plaats daar men voorneemens was op te fpringen , nederkomt; maar altyd een weinig agterwaards , of met betrekking tot de fchuit voorwaards. —— Hieruit volgd dan, dat men in diergelyke gevallen , met de vaart van het vaartuig altyd vooruit moet fpringen , als wanneer een iegelyk, die zulks doet, ondervinden kan, dat hy in het voortfpringen even als nog door een ander vermogen vooruitgeflooten word ; een beweeging die hem ook veel verder brengd, dan hy gedagt had, en geen wonder! want hy heeft in dit geval eenen fchuinen Weg te befchryven , namenlyk de hoeklyn van een raam, welkers eene zyde evenwydig loopt met de ftreek van het vaartuig , en de andere met die, in welke de perZoon heeft willen voortfpringen.

Op dezelfde gronden leeren wy ook reden geven , waarom men op eenen wagen rydende, en een neen of iets anders uit de hand laatende vallen , dezelve ("niet tegenftaande de wagen in die tusfchcntyd reeds vooruit gevorderd is) op den grond gekomen zynde, vlak onder de hand

bevind te zyn. i By aldien men onze bewe-

zene